Basisschikking Veertigdagentijd en Paascyclus

Van kruis naar gaffelkruis tot levensboom

Met de Veertigdagentijd breekt de tijd van soberheid en inkeer aan. Maar ook een tijd van hoop en verwachting naar wat komen gaat. Deze ingetogen periode eindigt met het feest van Pasen. De lezingen beginnen bij de profeet Ezechiël. In de lezing van Ezechiël 17: 22-24 staat de ceder centraal, waarvan een klein twijgje wordt geplukt en geplant op de hoogste berg. Het twijgje zal tot een boom uitgroeien die vruchten  voortbrengt en schaduw zal geven.

Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal ik planten op een hoge, verheven berg. Op de hoogste berg van Israël zal ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden. In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn.

Dit twijgje dat uitgroeit tot een krachtige boom is het kruis dat Jezus zal dragen ons symbool en constante basis in de schikking geworden. Beiden zullen vrucht dragen en leven brengen. Het kruis staat voor velen in deze tijd van Pasen centraal: als beeld van lijden, zowel het persoonlijk lijden van Jezus als van ons mens. Daarnaast is het een verwijzing naar het lijden om ons heen, dichtbij en veraf op onze wereld. In de christelijke traditie is het kruis echter ook een verwijzing naar het opstaan uit lijden, naar de levensboom. Het beeld van een rechtschapen mens zoals Psalm 1 dat schetst: een boom die stevig staat geplant aan stromend water en vrucht draagt en alles wat hij doet tot bloei komt. Het beeld van een levensboom komt op een andere wijze terug in Ezechiël; een boom vol leven waarin vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn.

Symboliek van het gaffelkruis
In de christelijke traditie is het zogenaamde gaffelkruis de kruisvorm die het meest herinnert aan een levende boom. Het gaffelkruis is een kruisvorm die door de schuin omhoog geheven armen lijkt op de vorm van een levende boom. De twee naar boven gestrekte takken of armen drukken de verbinding met het menselijke en goddelijke uit. In het lijden en de ervaren ongerechtigheid wordt de aarde met de hemel verbonden. Het dragen van het kruis wordt ook wel ervaren als een loutering, als een doorworsteling en de overwinning op het lijden, het wordt een teken van opstand en opstanding. Het dode hout dat lijden en onrecht verbeeld wordt langzaam maar zeker een vruchtbare bloeiende boom. Daarom veranderen we het beeld van een eenvoudige dode stam of kruis op de vierde zondag van de Veertigdagentijd in een gaffelkruis om te eindigen met een bloeiend gaffelkruis. Met Pasen barst het leven uit het dode hout en bloeit!
Per zondag wordt bij het kruishout een eenvoudige schikking toegevoegd die verwijst naar het thema uit de evangelielezingen van die zondag.

Constante basis in de schikkingen
De basis is een kruis(vorm). Voor de eerst drie zondagen is dat een stam of een knoestige tak zonder groen.
Op de vierde zondag van de Veertigdagentijd verandert dit in een gaffelkruid. De vierde zondag heet Laetare, een naam die verwijst naar het licht van Pasen. De liturgische kleur paars wordt vermengd met het wit van Pasen en wordt roze. Even schemert in de roze kleur het licht van Pasen door.